Een viering opbouwen: Difference between revisions
m 1 revision imported |
No edit summary |
||
| Line 2: | Line 2: | ||
Als de gemeente een vaststaande orde van dienst hanteert, is het opbouwen in principe een invuloefening die volgens een al even vast stramien kan verlopen. | Als de gemeente een vaststaande orde van dienst hanteert, is het opbouwen in principe een invuloefening die volgens een al even vast stramien kan verlopen. | ||
# '''Lezingen bepalen''' | # '''Lezingen bepalen''' De lezingen van de zondag, met name de Evangelielezing, vormen inhoudelijk de kern van de dienst (níet de preek!). In het licht van de lezingen wordt al het andere gezocht, van openingslied tot slotlied, van gebed tot preek. | ||
# '''Muziekkeuze bepalen''' De diverse liederen hebben hun eigen thematiek (openingslied, slotlied, etc.) en er kan een variant gekozen worden die recht doet aan de lezing en de tijd van het kerkelijk jaar. In het totaal van de muziekkeuze kan balans worden gezocht, tegenover een moeilijk onbekend lied mag misschien iets vertrouwds staan, iets dat al drie weken op rij is gezongen kan de vierde keer nog sterker werken, of misschien beter weggelaten. Veel ferme taal vraagt misschien om ook wat zachte woorden. | |||
# '''Muziekkeuze bepalen''' | # '''Preek en gebeden schrijven''' De voorganger schrijft de preek en de gebeden, wat buiten het bestek van dit boekje valt. Naast de lezing kan natuurlijk veel meer, van het wereldnieuws tot het gemeenteleven, een plaats krijgen in de preek en de gebeden. | ||
# '''Preek en gebeden schrijven''' | |||
In sommige gemeenten zijn dit allemaal taken van de voorganger. Op andere plaatsen is 1 een gegeven (leesrooster), wordt 2 door de kerkmusicius gedaan of een groep gemeenteleden, en is de voorganger pas bij 3 aan de beurt. Dit kan een goede werkwijze zijn vanwege de meerdere invalshoeken die het oplevert. De betrokkenen moeten dan wel goed zijn toegerust tot hun taak. Het kan helpend zijn voor een voorganger die anders week na week moet bedenken wat nu weer te te lezen en te zingen, of bijvoorbeeld als een gemeente geen eigen vaste voorganger heeft, om ‘elke zondag hetzelfde liedje’ te voorkomen. | In sommige gemeenten zijn dit allemaal taken van de voorganger. Op andere plaatsen is 1 een gegeven (leesrooster), wordt 2 door de kerkmusicius gedaan of een groep gemeenteleden, en is de voorganger pas bij 3 aan de beurt. Dit kan een goede werkwijze zijn vanwege de meerdere invalshoeken die het oplevert. De betrokkenen moeten dan wel goed zijn toegerust tot hun taak. Het kan helpend zijn voor een voorganger die anders week na week moet bedenken wat nu weer te te lezen en te zingen, of bijvoorbeeld als een gemeente geen eigen vaste voorganger heeft, om ‘elke zondag hetzelfde liedje’ te voorkomen. | ||
Op sommige plekken is het gebruikelijk een dienst een ‘thema’ te geven. Waar een thema als leidraad in de plaats komt van de lezing, ligt een zekere inhoudelijke verschraling wel op de loer. Het kan in dat geval raadzaam zijn alsnog de lezing inhoudelijk leidend te maken bij het vormgeven van de rest van de dienst. | Op sommige plekken is het gebruikelijk een dienst een ‘thema’ te geven. Waar een thema als leidraad in de plaats komt van de lezing, ligt een zekere inhoudelijke verschraling wel op de loer. Het kan in dat geval raadzaam zijn alsnog de lezing inhoudelijk leidend te maken bij het vormgeven van de rest van de dienst. | ||
Latest revision as of 05:10, 28 August 2026
Bij een vaststaande orde van dienst
Als de gemeente een vaststaande orde van dienst hanteert, is het opbouwen in principe een invuloefening die volgens een al even vast stramien kan verlopen.
- Lezingen bepalen De lezingen van de zondag, met name de Evangelielezing, vormen inhoudelijk de kern van de dienst (níet de preek!). In het licht van de lezingen wordt al het andere gezocht, van openingslied tot slotlied, van gebed tot preek.
- Muziekkeuze bepalen De diverse liederen hebben hun eigen thematiek (openingslied, slotlied, etc.) en er kan een variant gekozen worden die recht doet aan de lezing en de tijd van het kerkelijk jaar. In het totaal van de muziekkeuze kan balans worden gezocht, tegenover een moeilijk onbekend lied mag misschien iets vertrouwds staan, iets dat al drie weken op rij is gezongen kan de vierde keer nog sterker werken, of misschien beter weggelaten. Veel ferme taal vraagt misschien om ook wat zachte woorden.
- Preek en gebeden schrijven De voorganger schrijft de preek en de gebeden, wat buiten het bestek van dit boekje valt. Naast de lezing kan natuurlijk veel meer, van het wereldnieuws tot het gemeenteleven, een plaats krijgen in de preek en de gebeden.
In sommige gemeenten zijn dit allemaal taken van de voorganger. Op andere plaatsen is 1 een gegeven (leesrooster), wordt 2 door de kerkmusicius gedaan of een groep gemeenteleden, en is de voorganger pas bij 3 aan de beurt. Dit kan een goede werkwijze zijn vanwege de meerdere invalshoeken die het oplevert. De betrokkenen moeten dan wel goed zijn toegerust tot hun taak. Het kan helpend zijn voor een voorganger die anders week na week moet bedenken wat nu weer te te lezen en te zingen, of bijvoorbeeld als een gemeente geen eigen vaste voorganger heeft, om ‘elke zondag hetzelfde liedje’ te voorkomen. Op sommige plekken is het gebruikelijk een dienst een ‘thema’ te geven. Waar een thema als leidraad in de plaats komt van de lezing, ligt een zekere inhoudelijke verschraling wel op de loer. Het kan in dat geval raadzaam zijn alsnog de lezing inhoudelijk leidend te maken bij het vormgeven van de rest van de dienst.
Met een leeg papier (‘from scratch’)
Wie met een leeg papier begint, heeft natuurlijk de ultieme vrijheid om dat naar eigen believen in te vullen. Enige wenken kunnen misschien behulpzaam zijn.
- Uitgangspunt. De eerste vraag kan misschien beter niet “wat gaan we doen?” zijn, maar “wat moet hier gebeuren?”. Wie zijn de mensen, wat moet er gezegd, gevierd, betreurd of gemarkeerd worden? Pas als dat helder is, komen vorm en middelen. Dit is in feite de driedeling van ritueel (zie Ritueel) omgekeerd toegepast: eerst de betekenis, dan daar symbool, handeling en taal bij zoeken.
- Eén kern kiezen. Een nieuwe viering is het sterkst als ze één ding wil zeggen. Bij een leeg papier is de verleiding groot álles erin te stoppen wat mooi is.
- Een raamwerk opzetten. Ook een vrije viering heeft een skelet nodig: opening; verdieping; hoogtepunt; afronding, of het klassieke inkeer; woord; delen; van hier gaan. Je hoeft het stramien niet te tonen, maar het moet er onder zitten, zoals een gebouw zijn constructie niet toont maar wel heeft.
- Wat kan ik gebruiken van wat er al is? Liturgie gedijt bij herhaling; wie alles nieuw maakt, geeft daarvan iets prijs. Een vrije vorm vraagt, paradoxaal genoeg, veel houvast, bestaande onderdelen kunnen zo’n houvast geven. Een leeg papier geeft vrijheid, maar kan ook verlammend zijn; niets levert zo vaak middelmaat op als totale vrijheid.
- Spanningsboog. Afwisseling als ontwerpprincipe: spreken en zingen, woord en stilte, zitten en staan, gezamenlijk en individueel. Een viering die één register aanhoudt, zakt in — hoe mooi dat register ook is.
- Praktische toets aan het slot. Een checklist-achtige afsluiting kun je vooraf opstellen: is er een herkenbaar begin en einde? Weet iedereen wat er van hem of haar verwacht wordt? Is er naast iets te horen ook iets te zien en te doen? Kan het zonder toelichting? En waar niet, is die toelichting dan ingebouwd?
Aanvullend zou een vraag kunnen zijn: waarom kies ik eigenlijk voor from scratch? Mogelijke antwoorden zijn: als oefening; of wanneer er voor de gelegenheid geen passend stramien voor handen is. Een herdenking na een ramp, een viering bij fuserende kerken, een bijeenkomst voor twee vrienden die een ruzie hebben bijgelegd. Ook ‘uit verveling met het bestaande stramien’ kan een antwoord zijn, in dat geval is het zinnig om eerst duidelijk te krijgen wat die verveling is, in hoeverre die betrekking heeft op vorm of op inhoud.